Dionysius een van de twaalf kroongetuigen van het evangelie

Cultuurgericht kerk-zijn: de Joden een Jood en de Grieken een Griek?

Vraag

De Joden een Jood zijn, de Grieken een Griek! Deze zinsnede uit 1 Korintiërs 9 wordt vaak gebruikt (misbruikt) om allerlei aanpassingen in verkondiging en pastoraat te doen. Maar wat is de uitwerking daarvan in de praktijk en in het leven van de gemeente in de moderne tijd?

ANTWOORD

De bijbel wordt vandaag heel gemakkelijk op de klank af gebruikt om onze eigen plannen of meningen te ondersteunen.

1. De zinsnede `De Joden een Jood, de Grieken een Griek’ komt om te beginnen zo niet in de bijbel voor. Het is wel een bekend motto, dat bijbels klinkt. Het suggereert dat Paulus zich zou aanpassen aan diverse culturen. Hij zou het motto dan hebben kunnen uitbreiden met `de Scythen een Scyth, de barbaren een barbaar’ enz. In werkelijkheid komt de uitdrukking `de Grieken een Griek worden’ helemaal niet voor in de brieven van Paulus.

2. Wel schrijft hij in 1 Korintiërs 9,20 dat hij `voor de Joden als een Jood’ is geworden om hen te winnen, maar hij schrijft niet dat hij `de Grieken een Griek’ is geworden. Onze apostel heeft het op dat moment namelijk helemaal niet over verschillende culturen. In 1 Korintiërs 9,20-22 gaat het over Joden die onder de wet zijn tegenover alle andere mensen die niet onder de wet zijn. Beide groepen wil de apostel winnen. Zowel het oude bondsvolk als alle heidenen buiten Israël.

3. De tekst heeft dus niet te maken met culturele aanpassingen in verkondiging en pastoraat. Het gaat niet om aanpassing, maar om vermijding van aanstoot. Dit is heel specifiek voor de tijd waarin het evangelie eerst de Jood maar ook de niet-Jood bereikte. Dat vroeg veel van de apostelen. Zowel Joden als niet Joden konden gemakkelijk aanstoot nemen aan het evangelie. Paulus spant zich dan ook in en draagt ook ons op om `geen aanstoot te geven aan de Joden, aan de Grieken (NBV: andere volken) of aan Gods gemeente’ (1 Korintiërs 10,32).

4. Dit betekent bijvoorbeeld dat de apostel ter wille van de Joden Timoteüs alsnog besneed (Handelingen 16,3) en dat hij later ter wille van Jakobus in Jeruzalem meedeed met een nazireaatsoffer (Handelingen 21,20-26). Maar het betekent ook dat hij er in Antiochië voor vocht, dat Joodse christenen ook met onbesneden christenen uit de heidenen samen de maaltijd zouden delen: zonder aanstoot te geven door zich terug te trekken vanwege de spijswetten (Galaten 2,11-14).

5. Voor vandaag zou men uit deze teksten hoogstens kunnen afleiden dat we bijvoorbeeld de Joden die tot Christus bekeerd zijn niet kunnen verbieden hun voorvaderlijke spijswetten nog in ere te houden en dat we van de niet-Joden niet kunnen vragen om Loofhuttenfeest te vieren.

6. Wanneer men iets van Paulus wil leren over de vraag of we ons in de gemeenschappelijke eredienst moeten oriënteren op de tijd en cultuur waarin we leven, dan kan men beter te rade gaan bij 1 Korintiërs 14. In dit hoofdstuk geeft de apostel duidelijke aanwijzingen voor de interne opbouw van de gemeente. Het zijn gebiedende regels die voor alle gemeenten gelden, in heel verschillende contexten. Paulus redeneert dan niet vanuit de aansluiting bij de culturen, maar vanuit de aansluiting bij de algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen.

`Laat alles tot opbouw van de gemeente zijn…want God is niet een God van wanorde maar van vrede: zo is het in alle gemeenten van de heiligen….Heeft het woord van God zich soms verspreid vanuit uw gemeente? Of heeft het enkel u bereikt? Wie van u denkt te kunnen profeteren of in het bezit van de Geest te zijn, dient te erkennen dat wat ik u schrijf een bevel van de Here is. Doet hij dat niet, dan wordt hij zelf niet erkend’ (14,26.33.36-38).
Zie ook 1 Korintiërs 11,16 over de gewoonten bij het bidden van mannen en vrouwen: `Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn, af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen’.

Afdrukken