Johannes een van de twaalf kroongetuigen van het evangelie

Heeft de gelovige `rest’ van Israël alleen maar `restwaarde’?

Vraag

Waarom spreken we vaak over de gelovige `rest’ van Israël. Dat klinkt zo negatief.

ANTWOORD

Wie gewend is aan de (Herziene) Statenvertaling of aan de vertaling-NBG-1951 herkent het woord `Rest’ gemakkelijk als een Bijbelse term voor wat na het gericht mocht overblijven van Gods volk. In de Nieuwe Bijbelvertaling is dit woord meestal vervangen door `wat overbleef van…’ of `de overlevenden’. Ongemerkt krijgt het woord `rest’ in combinatie met `Gods volk’ nu een negatieve klank, terwijl het juist positief was bedoeld: God is genadig en spaart toch nog weer een deel van het volk! Een voorbeeld van veranderende vertaling is Sefanja 2,9 waar ook de NBV vanwege de dubbele zegswijze niet helemaal ontkomt aan het woord `rest’.

(HSV) De rest van mijn volk zal hen plunderen
Het overblijfsel van mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.

(NBV) Wat er nog over is van mijn volk zal ze plunderen,
Wat er van mijn volk nog rest zal ze in bezit nemen.

Wanneer we schuldbewust zijn, is het een wonder dat er ook nog maar iets van ons overblijft. Dat er aan onze schuldige geschiedenis uiteindelijk nog een volk van God overblijft, is een wonder van Gods trouw en genade. Zo heeft de gelovige `rest’ van Israël geen `restwaarde’ maar een waarde die Paulus doet juichen (Romeinen 11,33-36):

`Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen! …Wie heeft Hem iets gegeven dat door Hem moest worden terugbetaald? Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen’.

Afdrukken