JEZUS EN DE FARIZEEËN

  Bijbelstudie 1 van 3 over het derde blokje: Israël en het evangelie

Deze Bijbelstudie wordt in de audioles uitgewerkt. Het is daarom goed mogelijk het beluisteren daarvan te combineren met deze Bijbelstudie. Om dit in gedeelten te kunnen doen, is de audioles in drie blokjes van 20 minuten opgedeeld. In de Bijbelstudie wordt aangegeven wanneer een nieuw audioblokje begint. (Via het menu Audiocursus is deze audioles als geheel of ook in drie afzonderlijke blokjes te downloaden).

A. Farizeeën waren geen Farizeeërs
B. Waarom struikelden juist de Farizeeën over Jezus?
C. Christus: het evangelie voor Israël

 

Beluister hier audioles 1

1. FARIZEEËN WAREN GEEN FARIZEEËRS

1.1 (Spraakgebruik) De groepsnaam `Farizeeën’ diende ten tijde van Jezus als aanduiding van een partij in Israël. Het was een neutrale benaming, net als Sadduceeën of Essenen of Herodianen. In het latere christelijke spraakgebruik heeft de benaming `Farizeeën’ helaas een slechte klank gekregen. Terwijl niemand `Sadduceeër’ als scheldwoord zal gebruiken, doet men dit wel met `Farizeeër’. Die benaming lijkt samen te vallen met `huichelaar’ of `wetticist’. Dit is zo ingeburgerd dat mensen nauwelijks over de partij van de `Farizeeën’ kunnen praten zonder meteen te denken aan `Farizeeërs’ (`huichelaars’). In het Nieuwe Testament is de aanduiding `Farizeeër’ echter neutraal: een `Farizeeër’ hoort bij de partij van de Farizeeën. En dat is het. Meer niet! Om de storende bijklank kwijt te raken, helpt het om zo nu en dan de Hebreeuwse benaming te gebruiken: Peroesjim (enkelvoud: Peroesj).

Oefening: denk eens na over de fiere manier waarop Paulus als christen nog altijd spreekt over zichzelf als Farizeeër (Hand.23,6; 26,5; Fil.3,5). Blijkbaar niet iets om je voor te schamen! Paulus gaat er nog altijd prat op dat hij een prima Peroesj was in Israël. Waarom kunnen wij dit vaak niet zo goed plaatsen?

1.2 (De partij van de Peroesjim) Naam en oorsprong van de partij zijn onbekend. Wel weten we dat de partij ijverde voor een `Nadere Reformatie’ in Israël. Door de ballingschap en door de vreemde overheersing na de terugkeer was Israël in de derde eeuw voor Christus in grote delen verwereldlijkt (de Thora werd vergeten en de tempel verwaarloosd). De Maccabese vrijheidsoorlog in de tweede eeuw was in feite een godsdienstoorlog om tempel en wet weer in ere te herstellen binnen het volk zelf. Tegen die achtergrond kunnen we het ontstaan en bestaan van de partij van de Peroesjim begrijpen. Zij vormden de Schriftgelovige partij (tegenover de vrijzinnige Sadduceeën die niet geloofden in voorzienigheid, engelen, geesten en opstanding). In de eerste eeuw is hun invloed op het volk heel groot. Zij vormden de `meest nauwgezette richting’ binnen Israël (aldus Paulus: Hand.26,5).

Oefening: Wie heeft tegenover wie de volgende samenvatting van de wet gegeven? `God is één, en er is geen ander dan Hij! Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het verstand en met heel de ziel en met heel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers’. Controleer uw antwoord aan de hand van Marcus 12,32-34.

1.3 (Jezus beveelt de Peroesjim aan) Vanwege het conflict van de Farizeeën met Jezus, ontgaat het de bijbellezer nog wel eens, dat de Heiland vaak heel positief heeft gesproken over deze partij van de Peroesjim. Onze gerechtigheid moet niet anders zijn dan die van de Peroesjim, maar nog groter dan die van hen: hun gerechtigheid is dus een goede start voor de nog grotere gerechtigheid van het hemelrijk (Mt.5,20). Zo verwijt Jezus de Peroesj Nicodemus ook niet dat hij een leraar zou zijn van een verkeerde leer, maar Hij verwondert zich erover dat juist Nicodemus als `leraar in Israël’ de doop van Johannes en de prediking van Jezus niet begrijpt (Joh.3,10). En zelfs de scherp veroordelende rede die Jezus aan het einde van zijn aardse optreden richtte tot de wetgeleerden en de Peroesjim, begint met een aanbeveling van de leer van deze partij: `De wetgeleerden en de Peroesjim zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het, maar doe niet naar hun werken’ (Mt.23,2-3).

Oefening: lees de gelijkenis van de Peroesj en de tollenaar (Lc.18,9-14). Waarom zegt de tollenaar niet: `Ik dank u dat ik niet ben als deze Farizeeër’?

1.4 (Het zijn de Farizeeën die het conflict zochten). Het evangelie is niet anti-Farizees. De prediking van het hemelrijk kwam niet op uit een conflict met de Peroesjim. In de eerste periode van zijn optreden in Israël richtte Jezus zich helemaal niet tégen deze partij. Zij zijn het zelf geweest die tegen de prediking van Jezus in verzet kwamen (zie hierna punt 2) en daardoor werden zij bij uitstek zijn tegenstanders. Zij gingen voorop in de bestrijding van Jezus (de sabbatsconflicten; de Beëlzebul-laster; de strikvragen). Daardoor werd de Heiland gedwongen tot een steeds scherpere confrontatie met deze Vromen die Hem eigenlijk het meest nabij waren in Israël. Dit mondde uit in de rede van Matteüs 23.

Oefening: lees Johannes 7,31-32.45-52. Hoe kunnen we hier bevestigd zien dat de aanval niet van Jezus’ kant kwam, maar van de kant van de Peroesjiem?

 

Beluister hier audioles 2

2. WAAROM STRUIKELDEN JUIST FARIZEEËN OVER JEZUS?

2.1 (Niet de wet, maar de persoon van Jezus is de inzet) Vanwege de sabbatsconflicten denkt men vaak dat precieze Farizeeën struikelden over een ruimhartige Jezus, maar dit is een perspectiefvervalsing. De sabbatsconflicten werden door de Farizeeën gezocht en zelfs uitgelokt om de persoon van Jezus te kunnen vangen. Zijn persoon achtervolgde men omdat men de pretentie van Jezus niet wilde aanvaarden. Het is zo geleid dat aan het einde van Jezus’ leven deze wortel van het conflict kwam bloot te liggen. Het sanhedrin veroordeelde Hem niet als wetsverachter maar als godslasteraar (Mt.26,65-66). Men beschouwde Jezus zo omdat Hij beweerde van God te zijn gekomen en zelf Gods zoon te zijn. Hij was echter volgens hen de zoon van Jozef en Maria en meer niet! Dit was dan ook precies de reden waarom de Farizeeër Saulus zich verplicht voelde `tegen de naam van Jezus van Nazaret (!)’ veel vijandige dingen te doen door zijn volgelingen te vervolgen tot in de dood (Hand.26,9-11). Saulus deed dit in oprechtheid, uit liefde voor God en in onwetendheid (1 Tim.1,12-15). Pas toen Saulus bij Damascus tot de ontdekking kwam dat Jezus werkelijk leeft en aan Gods rechterhand is gezeten, werd zijn ijver hem tot zonde en grote schuld (Hand.26,12-23).

2.2 (Het begon niet bij de wet maar bij de doop door Johannes) De botsing van de Farizeeën met de Persoon van Jezus is eigenlijk al voorbereid in de tijd van Johannes de Doper. Deze profeet wees het volk op de Sterkere die zou komen. En hij riep het volk op tot een boetedoop. De zondaars, de hoeren en de tollenaren, die gehoor gaven, zien we later ook tot Jezus komen. Maar de Farizeeën lieten zich niet door Johannes dopen en zij waren het die toen later struikelden over Jezus. De Heiland heeft de Farizeeën daar ook steeds weer op gewezen: zij struikelden over Hem omdat zij volhardden in hun afwijzing van Johannes de Doper!

Lees Mt.3,5-12; 9,9-13; 11,7-19; 21,31-32. 

2.3 (Niet de ijver voor de wet, maar het godsdienstig zelfvertrouwen was het struikelblok) De Farizeeën dachten niet voor het oordeel in aanmerking te komen omdat zij Abraham als vader hadden (lees Mt.3,9; Joh.8,30-59). Daardoor begreep Nicodemus aanvankelijk ook niet dat zelfs een lid van de Farizese partij niet gered kan worden zonder opnieuw geboren te worden (Joh.3,3-10).

Paulus schrijft dat wij allemaal voor de rechterstoel van Christus gesteld zullen worden (Rom.14,10) om daar vergelding te ontvangen voor wat wij gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Kor.5,10). Kerkmensen vinden dit vreemde teksten: dit geldt toch niet voor ons die tot geloof in Christus zijn gekomen? Misschien kunnen we ons de reactie van de Farizeeën dan toch wel een beetje voorstellen…..!

2.4 (Farizese vroomheid verliest zijn waarde bij verwerping van de Messias) Niet hun vroomheid naar de wet was voor de Farizeeën het struikelblok, maar hun veroordeling van Gods gezalfde `in naam van de vroomheid’. Het beste werd het slechtste. Zij die het meest dichtbij waren, dreigen het helemaal mis te lopen. Een onvolledige gerechtigheid die zich afsluit voor de vervulling ervan, wordt een bedorven gerechtigheid. Het `u hebt niet gewild!’ wordt het vonnis.

Matteüs 23 wordt vaak gelezen als een felle afwijzing van wettische vroomheid. Men vergeet dan dat dit hoofdstuk niet aan het begin van Jezus’ prediking staat, maar aan het einde. In het licht van hun afwijzing van de Redder van God (23,13), wordt hun vroomheid tot zelfhandhaving en zelfvertrouwen. De vroomheid
van profetendoders (23,29-35) verwordt tot blindheid en huichelarij (23,23). Nalatigheid in aanvaarding van de Christus veroordeelt henzelf, niet de dingen die ze als vromen deden (23,23b `men zou het een moeten doen zonder het ander te laten’). 

2.5 (Waarom moesten de Farizeeën eerst struikelen?) In de evangeliën zien we maar een enkele Farizeeër de zijde van Jezus kiezen (Nicodemus Joh.7,50-52; 19,39). Tot onze verrassing treffen we na Pinksteren onder de christenen veel Farizeeën of volgelingen van hen aan (Hand.15,5; 21,20). En de briljante Farizeeër Saulus wordt door Jezus Christus geroepen om apostel van de heidenen te zijn! De afwijzing van onze Heiland door de vroomste en invloedrijkste partij in Israël was een deel van zijn vernedering en lijden: na zijn verhoging krijgt Hij zijn loon doordat velen die Hem eerst afwezen alsnog aan Hem geschonken worden, waaronder ook veel vroegere tegenstanders. Eersten waren de laatsten, maar toch!

 

Beluister hier audioles 3

3. CHRISTUS: HET EVANGELIE VOOR ISRAËL

3.1 (Niet in tegenstelling tot de wet) Het evangelie voor Israël ligt in het verlengde van de wet en de profeten. Jezus is niet gekomen om die te ontbinden (Mt.5,17). Zijn evangelie staat niet haaks op het onderwijs in de wet door de Farizeeën. Hij is geopenbaard om Israël te verlossen van zijn zonden, niet om de wet aan te vechten (Lc.4,18-19). Hij spreekt vrij van schuld, maar niet van de wet (Joh.8,11).

Lees Mt.11,25-30. Het lichte `juk van Jezus’ staat niet in tegenstelling tot een `zwaar juk van de Farizeeën’. Israël leefde onder het juk van de wet van God: dat is positief, want daardoor waren ze ZIJN volk! Jezus is één met deze Vader (11,27). Hij is gekomen tot vergeving van de zonden waardoor het volk belast werd (aldus Johannes de Doper). Het is veilig en goed voor Israël onder de wet om zich nu ook aan de Zoon van de Vader gewonnen te geven.

3.2 (Wel als Heer van de wet) Op verschillende punten heeft onze Heiland zijn eenheid met de Wetgevende Vader laten merken:
- doordat Hij de wet aanscherpte (over de hele linie Mt.5,20-48);
- door de uitvoering ervan aan zichzelf ondergeschikt te maken (de sabbat; Mc.2,28);
- door de scheidbrief weer af te schaffen (Mt.19,1-9);
- door te verklaren dat de spijswetten niet langer bindend waren (Mc.7,14-23);
- door aan te geven dat tradities nooit mogen dienen om de wet af te zwakken (Mt.15,1-9);
- door aan te geven dat de tempeldienst zal uitlopen op zijn eigen heiligdom (Joh.2,19-22) en niet gecombineerd kan worden met moordplannen tegen Hemzelf (Mt.21,13).

3.3 (Gekomen om te vervullen) Niet om wet of profeten af te schaffen kwam onze Heiland, maar om ze te vervullen (Mt.5,17). Dit betekent de realisatie van alles wat daarvan nog niet gerealiseerd was. Voor zover de heilsbeloften van de profeten nog niet vervuld waren, zullen die werkelijkheid worden in het hemelrijk (Mt.5,18). En voor zover de wet niet vervuld werd in Israël omdat daar nog veel onheiligheid overbleef, zal ze vervuld worden in het hemelrijk waar wij volmaakt zullen zijn als onze hemelse Vader (Mt.5,48). De beloften van Johannes de Doper over het nabije hemelrijk en de doop met de heilige Geest zagen al vooruit naar deze vervulling van wet en profeten.

3.4 (Het evangelie op de Pinksterdag) Op de Pinksterdag en daarna komt het evangelie eerst tot Jeruzalem en heel Israël. Petrus predikt dat men zich tot de gekruisigde Christus moet bekeren en alsnog de aanwijzingen van Johannes de Doper moet opvolgen (Hand.1,21-22; 2,38-40). Petrus en de anderen prediken niet tegen de Farizeeën. Hun boodschap richt zich niet tegen de heilige plaats of tegen de wet: wie dat aan Stefanus verwijten, zijn valse getuigen en lasteraars (Hand.6,13-14)!

Afdrukken