Saulus een van de twaalf kroongetuigen van het evangelie

Het zachte juk van Jezus (Matteüs 11,28-30)

Vraag

Christus zegt in Matteüs 11,28-30 over zichzelf dat wij tot Hem moeten komen, omdat zijn last licht is en zijn juk zacht: Hij zal ons rust geven. Staat dit niet in tegenstelling tot wat de Farizeeën en wetgeleerden leerden, nl. dat de mensen het zelf moesten doen; en ze kregen hierbij geen rust; maar ze gingen gebukt onder de hen opgelegde godsdienstplichten.

ANTWOORD

1. Bij Bijbelgebruik is het altijd belangrijk om na te gaan of we ook onbewust iets toevoegen aan de tekst. Het gedeelte Matteüs 11,25-30 wordt inderdaad heel vaak gelezen vanuit de gedachte dat hier de Farizeeën worden aangesproken, veroordeeld en afgewezen. Maar wanneer we goed kijken, worden ze helemaal niet genoemd in deze tekst. Sterker nog: het is helemaal geen strijd-tekst, maar allereerst een dankzegging. De Zoon dankt de Vader dat Hij aan Hem alle dingen heeft overgegeven. En dat de Vader aan eenvoudige mensen de Zoon openbaart. Een intiem moment van persoonlijk contact van de Heiland met zijn Vader. Daarna spreekt Jezus uitnodigend tot de scharen. Kort hiervoor hebben we kunnen lezen dat Hij innerlijk met ontferming was bewogen over de menigte: ze waren als schapen zonder herder (Mt.9,36). En dan stuurt Hij de twaalf uit om te genezen en het hemelrijk overal te prediken (Mt.10). Aan het eind van hoofdstuk 11 komt opnieuw de liefde van de Echte Herder naar voren. Laten de vermoeiden en belasten tot Hem komen: hier is toch wel allereerst te denken aan de zieken, de blinden, de zondaars enz. (verg. 11,4-5). Zij worden genodigd om `het juk van Jezus’ op zich te nemen: dit betekent dat zij zich aan Hem verbinden, Hem als Meester erkennen, zich aan de Zoon van de Vader onderwerpen. Laten ze niet bang zijn: Jezus geeft rust, zijn last is licht. We zouden als contrast heel in het algemeen kunnen denken aan allerlei opstandelingenleiders (in de woestijn), dictators (Herodessen, Romeinen) enz. Deze keer hoeven de mensen niet behoedzaam te zijn: Jezus is zachtmoedig en nederig. Hoor maar de Bergrede en zie de wonderen!

2. Het is jammer dat deze vriendelijke nodiging zo vaak wordt gelezen als een pittige indirecte uitval naar de Farizeeën: als zij nu ergens niet in de buurt zijn, dan is het wel in hoofdstuk 11. Jezus probeert hier de bangmakerij van de ongelovigen te ontkrachten. Mensen zeggen dat je voor Johannes moet oppassen (hij heeft een demon: Mt.11,18) en dat je voor Jezus moet oppassen (Hij is vraatzuchtig, een drinker en een vriend van tollenaars en zondaars: Mt.11,19): wee de steden van Israël die zich daardoor laten afhouden van de Vredekoning (Mt.11,20-24).

3. We kunnen de volgende conclusies trekken. A. Matteüs 11,28-30 is een positieve en geruststellende uitnodiging om onderdaan van Jezus te worden, zijn juk op zich te nemen: Hij is een vredelievende Herder! B. De geruststellende toon staat in tegenstelling tot de bangmakerij van wat anderen over Jezus zeggen: het is aannemelijk dat tot die anderen ook de Farizeeën behoorden. C. Het is niet aannemelijk dat Jezus in 11,28-30 indirect zou willen zeggen dat de Farizeeën en wetgeleerden een hard juk opleggen en de mensen opjagen als hardvochtige leiders. D. Het is zeker onjuist om te denken dat het zachte juk van Jezus in tegenstelling zou staan tot de wet alsof die een hard juk zou zijn. Integendeel: hoe goed is immers ook de wet die van de Vader komt! Er is wanneer het om genade en vrede gaat geen tegenstelling tussen de Vader en de Zoon, geen strijd tussen wet en evangelie.

Afdrukken