04.3 Sommigen zijn al heel dicht bij het hemelrijk! (n.a.v. Marcus 9,1)

Wanneer het gaat over het hemelrijk, overvalt ons gemakkelijk een gevoel van grote afstand. Om twee redenen.

  1. De hemel lijkt erg ver weg bij ons huidige beeld van de ruimte.
  2. Het binnengaan in het hemelrijk lijkt voor ons tijdsgevoel ook ver weg na meer dan 2000 jaar.

 
1. Onzichtbaar dichtbij

Wat het eerste betreft, kan het ons helpen om goed te beseffen dat de hemel tot de voor ons onzichtbare wereld behoort. Wij kunnen de hemel niet inpassen in ons zichtbare `heelal’ dat steeds maar verder lijkt uit te dijen.

Wanneer onze ogen geopend zouden worden, zou de hemel zo dichtbij blijken te zijn als de engelen die meer dan eens neerdaalden naar de mensen. De apostel Paulus is opgetrokken geweest in de derde hemel en dat was niet ver (2 Kor.12,2-4). Daar waren geen lichtjaren voor nodig. Hij had trouwens al eerder de stem van Jezus vanuit de hemel van dichtbij kunnen horen op de weg naar Damascus (Hand.9,3-9). Net zo goed als Stefanus de Heiland daarboven had gezien toen hij voor het sanhedrin stond en zijn ogen werden geopend (Hand.7,55-60).

In onze tijd wordt het voor ons zichtbare aan ons opgedrongen als het enige. Het is daarom (nog meer dan vroeger) tijd om je te oefenen in het geloof: `dat overtuigt ons van de waarheid die we niet zien’ (Hebr.11,1).   Het zou heel goed zijn om in deze moderne tijd de jeugd (ook de studerende jeugd) evenals alle christenen steeds weer het begin van de belijdenis van Nicea in te scherpen:

Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemel en de aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen

 
2. Het duurt voor niemand lang

Er is echter ook – en dat is het tweede – een tijdelijk afstandsgevoel. Hoe lang wacht de kerk al niet? Het gespannen uitzien naar de komst van het hemelrijk verslapt op den duur en het waken neemt gemakkelijk af wanneer het laat wordt (zoals Jezus ons daarvoor al waarschuwde).

In het algemeen kunnen we zeggen dat onze tijdsbeleving niet dezelfde is als die van de Here. Bij Hem is duizend jaar als een dag en een dag als duizend jaar: Hij talmt niet met de belofte, al lijkt het van ons uit gezien wel zo (2 Petrus 3,8-9). De Here heeft nog geduld omdat Hij wil dat iedereen tot inkeer komt: daar is onze tijd voor bedoeld! Wanneer je daarbij nadenkt, valt het je niet meer zo moeilijk om ook als christenheid nog even te wachten en in die tijd anderen ook tot bekering en geloof op te roepen.

Maar er is ook nog iets persoonlijks. Het mag nu al de 21ste eeuw zijn, maar geen enkel mens heeft al 20 eeuwen hoeven te wachten. Collectief tellen de eeuwen, maar individueel gaat het om niet meer dan zo’n 70 of 80 jaar. Langer duurt je wachttijd meestal niet. Geen gelovige hoeft langer dan zijn eigen levensduur te wachten voordat hij het hemelrijk binnengaat. Het duurt dus voor de meesten helemaal niet lang meer.

We horen dit o.a. in een raadselachtig woord van onze Heiland, die eens heeft gezegd: `Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt’ (Marcus 9,1 NBV; verg. Mt.16,28; Lc.9,27). Het is een wat duister woord, dat bij velen vragen oproept en dat ons tot nadenken aanspoort.

Bij het nadenken over deze uitspraak van onze Heiland, kunnen we om te beginnen een aantal dingen wel uitsluiten: 1. Het lijkt alsof die `sommigen’ zullen sterven wanneer het rijk van God komt in al zijn kracht, maar dat kan de bedoeling niet zijn. Juist dan zullen de rechtvaardigen opstaan en leven voor eeuwig. 2. Het lijkt alsof de Here de komst van het koninkrijk verwacht bij het leven van een aantal daar aanwezigen, maar dat kan ook de bedoeling niet zijn. De Here Jezus heeft heel veel uitspraken gedaan over een tijdsduur waarin het evangelie nog in de hele wereld gepredikt moet worden en Hij heeft veel gezegd over perioden van vervolgingen die ook een zekere tijd zouden duren. Hoewel kritische bijbeluitleggers wel beweren dat Jezus en/of de oudste christenen altijd hebben gedacht dat de wederkomst binnen één generatie zou plaatsvinden, strijdt dat met het evangelie als geheel. De manier waarop de Heiland over de toekomst sprak sluit niets uit (ook geen terugkeer op heel korte termijn), maar geeft ook geen reden om bij voorbaat te denken dat alles binnen een mensenleeftijd voltooid zal zijn. Er is in al Jezus’ spreken een open einde: die dag komt als een dief in de nacht. Hij is op geen enkele manier te berekenen. We kunnen die dag dus ook niet berekenen aan de hand van 1 mensenleeftijd. 3. Het kan verder ook niet de bedoeling zijn dat sommige mensen heel lang zullen leven, zodat zij de komst van het rijk zouden beleven. Er zouden dan op aarde nu nog een aantal mensen moeten leven van omstreeks 2.000 jaar oud. En dat is niet het geval. 4. Sommige uitleggers willen aan iets anders denken dan de glorieuze verschijning van het hemelrijk bij de komst van Jezus Christus in zijn heerlijkheid (bijv. de hemelvaart of de verwoesting van de tempel bij de val van Jeruzalem). De nadruk ligt echter op de openbaarwording van de `kracht’ van het hemelrijk (Mc.9,1) of op het `zien’ van dat rijk (Lc.9,27) of op het zien van `de komende Mensenzoon’ (Mt.16,28). Het gaat dus om de tijd van het herstel van alle dingen bij Jezus’ glorieuze verschijning.

Het is zo wel duidelijk, wat de raadselachtige uitspraak van de Heiland niet wil zeggen. Maar wat kan het nu betekenen dat sommigen rond Jezus niet zouden `sterven’ voordat die tijd van de volle heerlijkheid aanbreekt? Het lijkt alsof we in een impasse zijn beland met deze geheimzinnige uitspraak.

Maar dan wordt het tijd om nog wat nauwkeuriger te kijken naar wat de Here Jezus precies heeft gezegd. Volgens de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) sprak Hij over `sterven’. Maar een blik in andere bijbelvertalingen kan ons duidelijk maken dat deze NBV-vertaling niet precies genoeg is. De Heiland sprak over `de dood proeven’ (HSV) of `de dood smaken’ (SV; NBG-vertaling 1951) of `taste death’ (NIV). In het Grieks staat inderdaad een woordgroep die niet gebruikelijk is voor `sterven’. Er staat `de dood proeven’ (geuesthai thanatou) .’

Deze verbinding is in het Grieks niet bekend uit de tijd vóór het Nieuwe Testament: het is geen cliché, zoals het dat later via de bijbelvertalingen wél is geworden in de Nederlandse taal (‘de dood smaken’ is dan zonder meer ‘sterven’). In het Grieks staat echter niet van tevoren vast dat deze woordverbinding zou moeten betekenen ‘sterven’. Zij kan ook duiden op het proeven en ondergaan van de dood. In dat geval zegt Jezus, dat sommigen geen doods-smaak zullen proeven totdat zij het rijk gekomen zien. En bij die komst zal, door de kracht waarmee het komt, ook de dood zelf worden weggedaan.

Het bijzondere van Jezus’ plechtige belofte (‘Voorwaar, Ik zeg u’) is dan dat sommigen nú al bevrijd zullen zijn van het moeten proeven van de smaak van de dood, die straks geheel wordt weggenomen. De oudste parafrase van dit merkwaardige woord vinden we dan in Johannes 8,52, wanneer de Joden aan Jezus een boze geest toeschrijven, omdat Hij zegt: ‘Als iemand mijn woord bewaart, zal hij zeker de dood niet proeven (!) in eeuwigheid’. Kort tevoren had Jezus gezegd, dat niemand, die zijn woorden bewaart, ooit de ‘dood zal zien’ (Joh.8,51). Uit Johannes 8 blijkt dus dat Jezus aan de zijnen eeuwig leven belooft. Wanneer zij sterven op aarde, zullen ze toch de dood niet echt proeven, want ze zullen leven bij Christus.

Een uitlegging van Marcus 9,1 in deze geest, sluit aan bij hetgeen verder door Jezus tot de schare is gezegd. Hij beloofde, dat ieder die zijn persoonlijk leven wil verliezen om Christus, het juist zal sparen. Christus gaat voor naar het kruis om een betaling te zijn voor de ziel van de zondaar. Wie Hem belijdt, zal beleden worden op de jongste dag (8,38). Meer nog: zo iemand zal niet eens de dood meer proeven in de tijd die nog voorafgaat aan de glorievolle komst van het rijk. Hij zal leven en zijn ziel sparen, ook al is hij gestorven. Jezus geeft dus geen termijn-uitspraak in 9,1. Hij geeft een belofte van eeuwig leven mét en ook vóór zijn komst in glorie. In het verlengde hiervan ligt zijn woord tot Marta na de dood van Lazarus: `Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat?’ (Joh.11,25-26).

Daarom spreekt Jezus in Marcus 9,1 ook over ‘sommigen van hen die hier staan’. Hij heeft de schare voor een keuze gesteld: wie wil nu achter de kruisdragende Jezus gaan? Niet allen zullen het willen. Velen zullen zich schamen voor Jezus, de gekruisigde (8,38). Toch is het voor Hem een zekerheid van Godswege, dat sommigen Hem zijn gegeven en dat Hij hun ook reeds vóór de jongste dag het eeuwige leven en het behoud van de ziel mag schenken.

Zo is Marcus 9,1 een verzekering (Jezus krijgt zijn volgelingen), een aansporing (niet allen die hier staan zullen automatisch delen in het beloofde leven) en een belofte (zij die er in delen, ontvangen het ook nu al en totdat de dag komt, zodat zij de dood niet meer zullen ‘smaken’ of `proeven’). Dit slot van Jezus’ langere toespraak maakt duidelijk, dat het nu begonnen onderwijs over het lijden van Gods zoon, werkelijk evangelie is voor de mensen, voor de levenden en voor de stervenden.

De apostel Paulus gaat in zijn eigen leven ook van deze werkelijkheden uit. Ze doen hem onbevreesd het sterven tegemoet zien. Dan zal hij met Christus zijn en dat is zonder meer het beste (Fil.1,23). Als gelovigen in Christus zijn we momenteel nog uitwonende burgers van zijn rijk en wij verlangen er met Paulus naar om uit het lichaam uit te wonen (het aardse sterven) en bij de Here in te wonen in het gebouw dat we eeuwig in de hemelen hebben (2 Kor.5,1-8).

 
SAMENVATTEND

1. Gods hemelrijk is dichter bij de aarde dan het lijkt in ons beeld van alleen de zichtbare wereld. Wij zijn er allemaal heel dicht bij: mochten alle mensen dat maar beter beseffen!

2. Wie de Here Christus liefhebben zullen de dood niet proeven, maar vanaf hun sterven op aarde leven bij Christus in zijn hemelrijk daarboven totdat hun lichamen bij zijn terugkeer worden opgewekt en ze dan samen met ons Hem tegemoet gaan in de lucht om met Hem terug te keren op de aarde (1 Tess.4,13-18). Zij die in Christus zijn (`sommigen’ onder de mensen) zijn al net zo dicht bij het hemelrijk daarboven als zij nog verwijderd zijn van het einde van hun korte leven op deze aarde. Mochten we dat maar wat beter beseffen! 

Er is een land van louter licht
waar heilgen heersers zijn.
Nooit gaat de gouden dag daar dicht
in duisternis of pijn.

Men ziet het veld aan d’overkant
in groene luister staan,
als Israël ’t beloofde land
zag over de Jordaan.

God, laat ons staan als Mozes hier
hoog in uw zonneschijn,
en geen Jordaan, geen doodsrivier
zal scheiding voor ons zijn. 

Isaac Watts (1674-1748)
[vert. Liedboek voor de kerken [1973] lied 290]

Afdrukken