10.1 Ik heb nooit van de bijbel gehoord: hoe kan ik schuldig zijn?

In de bijbel staat dat alle mensen voor Gods rechterstoel moeten verschijnen. Dat roept vragen op. Je kunt je voorstellen dat iedereen die met God bekend was, zich moet verantwoorden. Maar hoe is dat met al die mensen in een moderne wereldstad die niets meer weten over kerk en bijbel? En hoe met die volken die nog nooit met het evangelie zijn bereikt?

Dat zijn hele belangrijke vragen. Niet omdat wij alles moeten weten (al willen we dat vaak wel). Maar omdat het antwoord op deze vragen mee bepalend is voor de manier waarop het evangelie wordt gepredikt en de manier waarop wij niet-christelijke medemensen benaderen. Zijn zij voor onze God een onontgonnen gebied? Of moeten we niet alleen onszelf maar ook andere mensen herinneren aan de schuld die we dragen wanneer we God miskennen in deze wereld? En is het evangelie een vriendelijk aanbod van liefde aan mensen die nergens van weten, of is het een oproep tot bekering en terugkeer aan mensen die God miskennen? Een dringende oproep dus om tijdig het vriendelijk aanbod van genade te aanvaarden voordat Gods rechtvaardige oordeel ons zou treffen!

De apostel Paulus schrijft hier iets over in Romeinen 1,18-32. Hij zegt dat iedereen God kan kennen. Wanneer zij of hij dat niet doet, is dat miskenning van Gods werken, van zijn almacht en goddelijkheid die je overal kunt zien. Daarom is niemand te verontschuldigen. En het is een levenslange waarschuwing voor iedereen, dat alle mensen aan de dood zijn onderworpen. Juist daarom geneert Paulus zich niet om ongevraagd naar de wereldstad Rome te reizen: die stad heeft redding nodig!

Dit Bijbelgedeelte roept vragen op. Ze betreffen vooral drie punten:

1. Het billijk eindgericht over alle mensen

2. De verborgen mens

3. Het volle evangelie

 

1. Het billijk eindgericht over alle mensen

(Vraag:) In de Bijbelstudie komt aan de orde op welke manieren we God kunnen kennen: Uit de natuur en uit zijn Woord. Nu zouden er nog stammen in de Himalaya kunnen zijn die nog nooit van God hebben gehoord en die Hem dan toch uit de natuur zouden kunnen kennen?

Maar om verlost te worden van de zonden en behouden te worden is toch nodig het verlossingswerk van onze Here Jezus Christus te aanvaarden. Deze mensen hebben daar nooit van gehoord. Voor mij is het dan al te gemakkelijk om te zeggen: God weet dit en laat ik dat nu maar bij Hem laten.

Het blijft voor ons een raadsel waarom het ene volk al vroeg het evangelie hoorde en andere volken er heel lang van verstoken bleven. Dit heeft zeker te maken met het vrijmachtig welbehagen van God waarover Paulus spreekt in Romeinen en dat beleden wordt in de Dordtse Leerregels.

Het is onze HERE die erover beschikt waar deuren open gaan voor het evangelie en waar ze nog gesloten blijven. Voor de apostel Paulus moet dat ook wonderlijk zijn geweest toen hij door Turkije in westelijke richting trok. De Heilige Geest verhinderde hem te prediken in Asia en riep hem naar het verder gelegen Macedonië, terwijl hij later juist wél heel actief zal mogen worden in Asia (zie Handelingen 16,6-10; 19,9-12). Paulus volgde de route die zijn God uitzette. En zo geldt het ook voor ons. Wij kunnen niet bepalen in welke landen of steden God zijn gemeente wil planten in deze tijd, maar wij zijn wel geroepen om naar vermogen het evangelie voor te leven en uit te dragen, waar de HERE ons daar mogelijkheden voor geeft. Al kennen we Gods route niet, laten we ons nooit en nergens voor Hem en voor onze Heiland schamen!

Het is begrijpelijk dat bij ons onderweg dan soms de vraag opkomt hoe het later zal gaan met volken en steden die nooit van Christus hebben gehoord. Je kunt de vraag ook gemakkelijk uitbreiden tot zoveel mensen in de moderne tijd die nooit meer horen over bijbel en evangelie en die voor ons onbereikbaar lijken. Zullen deze mensen toch onder Gods oordeel vallen? Zou onze God deze mensen beoordelen alsof zij het wél hadden gehoord en het verworpen hadden?

Mijn antwoord zou zijn dat wij met zekerheid weten dat Gods oordeel over alle mensen zal gaan, maar dat wij de gang van die rechtspraak niet kennen. We weten dat geen mens te verontschuldigen is omdat God zich dagelijks aan iedereen doet kennen. We kennen echter niet de maten van Gods oordeel. Wel weten we dat de HERE rechtvaardig en billijk oordeelt. Zo weten we dat Hij verschil zal maken tussen Kafarnaüm en Ninevé, tussen Sodom en Betsaïda (Matteüs 10,15; 11,20-24). We weten ook dat heidenen die de werken van de wet doen, erkenning zullen vinden voor het goede dat zij deden (Romeinen 2,14-16.26-29). De HERE God oordeelt niet blindelings! Van alle doden die zullen opstaan voor het eindgericht, staat geschreven dat zij zullen worden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken (Openbaring 20,12).

Eén ding weet ik: het oordeel zal God prijzen en wij zullen dat ook doen. Niet omdat we nu al de uitspraken in huis hebben, maar omdat we weten hoe rechtvaardig en billijk onze HERE God is!

In Romeinen 1,18-32 gaat het echter niet over het toekomstig oordeel, maar over de huidige toorn van God die openbaar wordt van de hemel (1,18). Een toorn die uitloopt op het sterven van de mens (1,32). Een toorn die vooral daarin blijkt dat de HERE God de mensen loslaat en aan hun eigen wil, hoogmoed en begeerten overgeeft (1,24.26.28). Waardoor de wereld vol onrecht en misbruik is (1,29-32)!

Maar is deze toorn wel terecht: is het echt waar dat alle mensen God kunnen kennen zonder ooit van bijbel en evangelie gehoord te hebben?

2. De verborgen mens

(Vraag:) In de Bijbelstudie gaat het over heidenen die God miskenden en daarop aangesproken werden door Paulus. Mijn vraag gaat over veel mensen die nog nooit van God hebben gehoord of in de Bijbel hebben gelezen. Kunnen zij God kennen uit de schepping en onderhouding van deze wereld of niet? In hun leven is God toch niet de miskende maar een onbekende God.


In Romeinen 1,18-32 staat duidelijk dat mensen niet te verontschuldigen zijn omdat God zich bekend maakt aan hen, maar zij het onderdrukken. Wij kunnen ons dat moeilijk voorstellen dat mensen die nooit van de bijbel hoorden, toch God zouden kennen. Maar de vraag is ook niet of ik dit zomaar kan zien. Het punt is dat God, die de harten doorgrondt, het zegt. Hij weet welke verdringing er in de mens zit, ook al voel ik dat niet zo. Omdat de HERE het zegt, mag ik mezelf en anderen daar wel op aanspreken. We hebben hier te maken met een openbaring van de HERE God over de mens en zijn weigerachtigheid, die hij camoufleert. Voor Paulus is niet de zelfpresentatie van de mens het uitgangspunt, maar de openbaring van de HERE over ons mensen. En God die de harten kent, leert ons dan dat alle mensen God kunnen kennen en de taal van zijn schepping voortdurend onderdrukken en miskennen. Mensen die tot bekering komen, erkennen dat soms achteraf. Zij beseffen dan wat hun werkelijke situatie was toen ze zogenaamd `onwetend van God’ waren. En eens zal blijken dat dit de werkelijkheid is van alle mensen.

En hoe goed is het dan dat aan deze mensheid die onder Gods toorn leeft de Wereldredder verschijnt en wordt gepredikt! Hoe goed is het om in dit heden van de genade het volle woord van de openbaring te mogen ontvangen en uitdragen. In de hoop dat de weerstand van velen breekt. Met andere woorden: bij het beoordelen van een volk of een tijdperk moeten we niet afgaan op wat voor ogen is en wat aan de oppervlakte ligt. Er is een verborgen werkelijkheid van mensenharten die God alleen doorgrondt. En wanneer Hij zegt dat alle mensen de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, dan komt het mij niet toe om daar anders over te denken omdat ik dat zelf niet kan zien of doorgronden. Het komt mij ook niet toe om mensen met het evangelie als onschuldige onwetenden te benaderen, terwijl de HERE wil dat zij aan hun miskenning van God worden ontdekt.
De gemeente mag zich daarop richten, zoals ook in Korinte:

`Maar profeteert iedereen, dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen worden beoordeeld en terechtgewezen. Alles wat hem heimelijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden: `Werkelijk, God is in uw midden.’’ (1 Korintiërs 14,24-25).

 

3. Het onthullende evangelie

(Vraag:)In de jaren 1980 – 1990 leerde en praktiseerde ik om in gesprekken op straat of thuis met niet gelovigen te beginnen met God de Schepper die recht heeft op de volle aandacht en toewijding van ieder op deze aarde.

In de jaren vanaf 2000 tot nu krijg ik meer en meer uit onderwijs mee om in gesprekken met niet gelovigen te beginnen met God de Vader, die van je houdt, je terug wil hebben en daar zelfs zijn Zoon voor over heeft. Het moet van Hem komen.

1. Is de lijn die Paulus volgt (begin met God als Schepper) ook in onze tijd in onze cultuur de beste lijn die wij kunnen volgen om aan te sluiten?

2. Wat wilt u zeggen over deze “nieuwe” lijn, zit er een gevaar in, of is het wel hetzelfde evangelie maar sluit dit beter aan op de huidige cultuur?

Inderdaad overheersen Romeinen 1,18-32 en 1 Korintiërs 14,24-25 niet altijd en overal meer de benadering van de medemens met het evangelie.

Het beginnen bij de Schepper gaat dan niet meer gepaard met de prediking van het oordeel waaraan wij alleen door geloof ontkomen dankzij genade.

Het beginnen bij de Schepper leidt tegenwoordig vaak niet meer tot een prediking `met bevel van geloof en bekering'. Het wordt meer een algemeen aanbod van liefde voor alle mensen en erkenning van de waarde van een mens (afgedacht van zijn bekering en geloof).

Laten we beginnen met op te merken dat meestal geen onware dingen worden gezegd, maar ze worden zo eenzijdig en zo geïsoleerd gezegd, dat ze in feite onwaarheid worden. Het evangelie wordt dan versmald en in feite verkort en van zijn krachtig appel ontdaan.

Onze God heeft de wereld lief. Ja, maar dan moeten we er meteen bij zeggen dat dit blijkt uit het kruisoffer van zijn Zoon. En waarom? Omdat wij mensen schuldig zijn en de dood verdienen omdat we onze Schepper miskennen. Het is heel beschamend!

Je hoort ook nogal eens zeggen dat God van alle mensen houdt en alle kindertjes liefheeft. Maar als eenzijdige boodschap klinkt dat niet zuiver. Het is waar dat de HERE God bijzondere aandacht heeft voor alle hulpeloze kindertjes. Maar toch worden niet alle kinderen zomaar gedoopt! Alleen de kinderen van de gelovigen. Heeft God de anderen niet lief? Ja, maar met een trekkende liefde, niet met een bewonderende liefde, want zoals het er nu voorstaat worden onze kinderen in zonde ontvangen en geboren. Wat een liefde dat de HERE hun ouders toch tot terugkeer en geloof roept en dan ook hun kinderen in zijn beloften doet delen. Maar het leven onder een belofte dat Hij van waardeloos materiaal waardevolle kinderen Gods wil maken, is heel iets anders dan te denken dat alle kinderen zomaar parels zijn in zijn hand. En dat je dus in een evangelisatiegesprek zonder verdere toevoeging zomaar kunt verkondigen dat God van alle mensen houdt en dat alle kindertjes zijn lievelingen zijn. Het zijn niet de losse zinnen die hier onrecht doen aan het evangelie, maar het feit dat die zinnen op zichzelf worden gezet en losgemaakt van de hele geschiedenis van zondeval en verlossing waarbinnen ze alleen maar tot waarheid kunnen worden.

Mijn reactie op de beide concrete vragen zou dan ook als volgt zijn.

1. Waarom zouden wij vandaag anders moeten beginnen en een andere instelling moeten hebben dan Paulus had in Romeinen 1 en in Handelingen 14 en 17?

2. De `nieuwe lijn' doet geen recht aan de werkelijke situatie van een in zonde en godvergetenheid verloren mensheid en doet mensen tekort. De `cultuur' is daarbij een misplaatst excuus. Menselijke cultuur wil nooit van zonde voor God weten en die menselijke cultuur zal daarom een eenzijdige prediking van een `alleen maar liefdevolle God' niet op de goede manier plaatsen. Wanneer we het hele bijbelse kader van Adam en zondeval weglaten, kan de mens dit soort eenzijdig `evangelie' gemakkelijk misverstaan als een religieus humanisme en daarmee zijn mensen niet echt gebaat voor dit en het toekomende leven!

Afdrukken