11.1 Hoe kunnen Gods wetten voor christenen goed zijn? 1. De wet lijkt buiten beeld in het Nieuwe Verbond!

A. Wet en vervulling
B. Wet en Geest
C. Wet en vrijheid

A. WET EN VERVULLING

Onze Heiland is gekomen om wet en profeten te vervullen (Matteüs 5,17). Dat roept de vraag op of wij na het werk van Christus nog langer te maken hebben met zoiets als een wet.

Vraag
In gesprekken met mensen die(in onze omgeving) baptist zijn geworden gaat het ook nog al
eens over 'de wet'. De redenering is dan meestal: Christus heeft de wet vervuld dus hoeven wij deze niet meer (voor) te lezen. Als je vervuld bent met de Heilige Geest schrijft Hij de wet in je hart en ga je vervolgens 'vanzelf' het goede doen. Het is juist verkeerd om de wet nog
te lezen want de wet leidt 'tot de dood'.

ANTWOORD
Voor een antwoord op deze vraag is het goed om eerst even aandacht te geven aan de vervulling van de profeten, die in één adem wordt genoemd met de vervulling van de wet (Matteüs 5,17). Onze Here Jezus is gekomen om de profeten te vervullen. Dit betekent zeker ook dat veel profetieën in zijn eigen leven vervuld werden (met name de messiaanse). Maar dit sluit niet uit dat de profetieën verder kijken dan de persoon van onze Heiland. De profetieën richten zich ook op de toekomst van de wereld. Dankzij Christus zullen ook die profetieën vervuld worden Pas aan het einde van het bestaan van hemel en aarde zal alles gebeurd zijn wat de profeten voorzegd hebben (Mt.5,18). Daar stelt Christus zich garant voor. En zo is Hij gekomen om de profeten te vervullen: 1. In zijn eigen leven, sterven en hemelvaart, maar ook 2. In de wereld van alle mensen en alle volken met als einde de jongste dag.

Iets vergelijkbaars geldt nu ook voor de vervulling van de wet. Jezus Christus is het Lam van God dat de zonden van de wereld op zich nam. Hij heeft die weggedragen aan het kruis: daar is het VOLBRACHT. De straf van de wet is allereerst de paradijsstraf `u zult de dood sterven’. Door zijn lijden heeft Christus een volkomen verzoening bewerkt voor allen die in Hem geloven. Daar hoeven wij niets aan toe te doen, geen offer en geen lijden. Het ligt anders met de heiliging die de wet uiteindelijk beoogt. Het gaat er niet alleen om dat de straf van de wet wordt weggedragen, maar het gaat er ook om dat zondaren uiteindelijk toch heiligen worden. Dit doel van de wet wordt niet alleen bereikt in onze volmaakte Heiland, maar Hij wil dat het ook bereikt wordt in ons, zijn volgelingen. Daarom zegt Hij ook (belovend) in de Bergrede dat wij volmaakt zullen zijn zoals onze hemelse Vader volmaakt is (Matteüs 5,48). Het is een belofte, maar ook een gebod. Gelukkig nu een gebod dat Jezus door zijn Geest in ons wil gaan vervullen. Dat geeft hoop. Maar het blijft wel een gebod. En de Bergrede eindigt met de oproep om Jezus’ woorden te horen en er naar te handelen (Matteüs 7,24). En die woorden die Jezus sprak, sluiten aan bij de wet van Mozes en gaan zelfs nog verder dan de Tien Geboden (Matteüs 5,21-48).

Het is dus onze Heiland zelf die zich vragend tot ons richt met de oude geboden die ook de zijne zijn. Hij lokt ons daarmee naar de volmaaktheid van zijn Vader. Het verschil met de oude bedeling is niet dat er geen wet of gebod meer aan ons zou worden voorgehouden, maar dat het ons nu wordt voorgehouden door een volmaakte Hogepriester die onze zwakheden kent, daarvoor stierf en die bij machte is het werk dat Hij in ons begon ook tot het volmaakte einde te brengen.

Op het eerste gezicht lijkt het anders gezegd te worden in Paulus’ brief aan de Kolossenzen:

Vraag
In Kolossenzen 2,9vv. schrijft Paulus over onze eenheid met Christus. In Hem zijn alle zonden ons kwijtgescholden (2,13). En `het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd heeft Hij uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen’ (2,14). Betekent dit niet dat de wet voor christenen niet meer geldt en dat zij in de vrijheid van Christus hun eigen verantwoordelijkheden moeten nemen door de Geest?

 

ANTWOORD

Het is belangrijk om bij Kolossenzen 2,14 te letten op het verband waarin Paulus dit zegt. Waar loopt dit gedeelte op uit? In welk perspectief staat dit vers?

Het gaat in Kolossenzen 2,14 over de beschuldigende en aanklagende functie van de wet. Onze Heiland heeft door zijn lijden die functie weggenomen voor de gelovigen. Dit betekent dat zij zich ook niet schuldig hoeven te voelen wanneer zij zich niet laten besnijden en niet meedoen met andere Joodse gebruiken die aan de wet zijn ontleend en die men dwingend aan de lezers wil opleggen (zie 2,8.11.16-17). Het gaat dan vooral om wetsverplichting die geen rekening houdt met het bevrijdende werk van de Messias voor de zijnen: men wil de gelovigen weer onder een juk leggen alsof er geen Heiland was gekomen (2,18-23). Een christen moet zich echter niet door angst laten opjagen maar zich vertrouwend richten op zijn hemelse Verlosser (3,1-4).

Dit betekent echter niet dat er geen wet meer zou gelden voor een christen en dat hij dus zonder meer zonder zonde is. Dat blijkt wel wanneer Paulus vervolgens allerlei geboden uit het Oude Testament aan de lezers gaat voorhouden: zij moeten er naar streven die na te komen. De zonde die ons niet meer kan aanklagen, moet nog wel afsterven (3,5). Paulus noemt als voorbeelden: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten, hebzucht, woede, drift, vloeken, schelden, bedriegen (3,5-9). Onze nieuwe mens moet nu `steeds vernieuwd worden naar het beeld van zijn Schepper’. Dan ontstaat er niet opnieuw een gesloten Joodse gemeenschap onder de wet, maar er groeit een nieuwe mensheid waarin noch Jood is noch Griek, noch besneden noch onbesneden (3,11).

Er is een tegenstelling tussen `de wet zonder Christus’ en `de wet van Christus’. Maar er is geen tegenstelling tussen Christus en de wet. Zo geldt het vijfde gebod ook de christenen (3,20-21). Evenals bijvoorbeeld het zevende gebod (3,19). En Paulus waarschuwt ook de christen om `geen onrecht te doen’ (3,25). Blijkbaar kan een christen helaas nog zondigen! We moeten dan niet denken dat voor een christen die zonde niet meer telt: God maakt geen onderscheid (3,25b)!

Zie verder ook de Bijlage `06.2 (Nog altijd) vragen om vergeving? Wij zijn toch al vrij van het oordeel?’

 

B. WET EN GEEST

De vraag naar de gelding van de wet in het Nieuwe Verbond komt niet alleen aan de orde vanwege de vervulling van de wet door Christus, maar ze komt ook ter sprake vanwege de tegenstelling die er lijkt te zijn tussen Wet en Geest.

Vraag
In 2 Kor. 3, 6-18 spreekt Paulus over de wet (met letters in steen gegrift) die tot veroordeling leidt en in het nieuwe verbond verdwijnt. Niet de wet, maar de Geest, het komt over als een tegenstelling. En in vers 11 moet de wet (die luister had) plaats maken voor de Geest, of is daar al voor ingewisseld.

ANTWOORD
Het derde hoofdstuk van 2 Korintiërs is niet het gemakkelijkste en het is goed te begrijpen dat men in dit hoofdstuk al snel een tegenstelling leest tussen wet en Geest.

Nu moeten we wel letten op de richting waarin 2 Korintiërs 3 is geschreven. Het gaat hier niet zozeer over de vraag of de wet nog op een of andere manier gelding heeft, maar het gaat over iets anders. De Joden komen naar de heidenen toe met de Wetsrollen: dat is hun glorie. Paulus komt met andere aanbevelingsbrieven: de tot Christus bekeerde heidenen zijn voor hem de aanbeveling. God schreef bij hen de wet niet aan de buitenkant, maar door de Geest schreef Hij in hun harten. Joden werden ze niet. Voor besneden Joden bleven het zondaars uit de heidenen, maar in werkelijkheid staan ze in vuur en vlam voor de God van Israël en voor zijn Zoon! (lees 3,1-6).

Dit is nu het Nieuwe Verbond voor Israël waarover Jeremia al heeft geprofeteerd (Jeremia 31,31-34). In dit nieuwe verbond is de wet niet verdwenen. Zij wordt in het hart geschreven door de Geest (zie Jeremia 31,33: `Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen’). De wet blijft dus aan de orde, maar de manier waarop verandert.

Paulus drukt zich daarover kras uit, wanneer hij schrijft: `Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend’ (3,6). We moeten dat wel lezen in het verband van de tekst en in de tijd waarin het geschreven is. Paulus worstelt met de Joden die de Messias niet erkennen. Zij hebben Hem veroordeeld `in naam der Wet’!! Zij verschansen zich in de Wet om Jezus te verwerpen. Op dat moment en in die spannende jaren schrijft Paulus dat de letter (zonder Christus en zonder zijn Geest) doodt. En wat hij daarmee bedoelt, blijkt in de verzen 7-16. De wet was een sluier over de heerlijkheid van God, die men niet mocht aanschouwen. Wat de Joden die de Messias verwerpen nu doen, is het volgende. Zij koesteren de sluier en willen niet dat die wordt weggenomen om de luister van de Messias te tonen. Ze lezen ijverig de Wet, maar over hun hart ligt de sluier van miskenning. Pas als iemand zich tot de Heer wendt, wordt die sluier weggenomen. Dan verdwijnt de wet niet uit beeld, maar we krijgen nu de werkelijkheid van God te zien die omhuld werd door de wet en waar het altijd al om ging in de wet.

En nu gebeurt het wonder dat heidenen zonder besnijdenis en zonder toetreding tot het Jodendom met zijn Wetslezing, toch door de Geest bekeerd worden tot God en dat zij brieven van de Messias worden (3,2-3). In hen bereikt de wet wat ze wil: `dat we door de Geest van de Heer naar de luister van zijn beeld worden veranderd’ (3,18). Want welk ander doel hebben alle wetten van God anders dan dat wij weer aan zijn Beeld gelijk zullen worden?

Kortom: er is na de komst van Christus wel een tegenstelling tussen `de wet zonder Christus’ en `de Geest van Christus’. Maar er is geen tegenstelling tussen de Geest van Christus en de wet van God. Het nieuwe verbond gaat juist het doel van het oude eindelijk binnen bereik brengen. Nu al ten dele en straks in volkomenheid.

 

C. WET EN VRIJHEID       

De vraag naar de gelding van de wet in het Nieuwe Verbond komt aan de orde vanwege de vervulling van de wet door Christus en vanwege de tegenstelling die er lijkt te zijn tussen Wet en Geest. Ze komt ook ter sprake bij het veel gebruikte woord `vrijheid’.

Vraag
Mijn vraag heeft te maken met het gedeelte uit de eerste brief aan de Korintiërs, hoofdstuk 10 vanaf vs.23. In gesprek met broeders en zusters merk ik soms op dat dit Bijbelgedeelte gebruikt wordt om onze vrijheid te benadrukken in allerlei situaties. Er kan veel, gelet op wat daar geschreven staat!? Christus heeft de wet vervuld, wij leven dus in vrijheid.

ANTWOORD
In de brieven van Paulus heeft het woord vrijheid meestal betrekking op het vrij zijn van besnijdenis en Jood worden. Na 20 eeuwen zijn wij ons die vrijheid niet meer zo bewust, maar destijds was dat iets heel nieuws. Zelfs iets dat onzeker en angstig kon maken. Mag het wel: opeens als onbesnedene de God van Israël dienen? Moet het wel: kunnen we toch niet beter samengaan met de christelijke Joden die om hun contacten met ons vervolgd worden? Lees bijvoorbeeld Galaten 5,1-12.

Deze vrijheid moeten we niet misverstaan als een vrijheid van wet en gebod. Dat is duidelijk te zien in het vervolg van Galaten 5, wanneer Paulus ervoor waarschuwt `die vrijheid niet te misbruiken om eigen verlangens te bevredigen, maar om elkaar in liefde te dienen, want de hele wet is vervuld in één uitspraak: `Heb uw naaste lief als uzelf’’ (Gal.5,13-14). Als vanzelfsprekend wordt hier de wet vermeld als een maatstaf waaraan vrije christenen uit de heidenen zich moeten blijven afmeten. Alleen wanneer christenen zich door de Geest houden aan wat de wet beoogde, hoeven ze niet meer bang te zijn voor de wet omdat ze geen Joden zijn en onbesneden (lees Gal.5,16-23).

In 1 Korintiërs 10,23v. vinden we een bespreking van een specifieke situatie in Korinte. Hoe ga je als christen om met vlees dat verkocht is bij de afgodentempels en dat dus een restproduct is van een heidens offer? En vooral: hoe houd je daarbij rekening met elkaar binnen de gemeente? Paulus verzet zich hier juist tegen de leuze die men in Korinte aanhief: `Alles is toegestaan’ (10,23). Hij leert de lezers met meer liefde en bedachtzaamheid om te gaan met dit onderwerp. Hun `vrijheid’ (10,29) betekent verantwoordelijkheid voor de naaste (10,32-33). We zouden kunnen zeggen dat Paulus aan deze `vrije’ christenen in Korinte de wet van de liefde leert.

In 1 Korintiërs 10,30 gaat het om de specifieke vrijheid, niet gebonden te zijn door spijswetten en vrij te zijn om God te danken voor alle voedsel (mits het niet ten nadele is van anderen). We kunnen hieruit niet afleiden dat de christenen in alles vrij zijn om eigen, individuele keuzes te maken. Bijna direct na hoofdstuk 10 schrijft de apostel over voorschriften die wij moeten houden: `Ik prijs het in u dat u mij bij alles als voorbeeld neemt en u aan de voorschriften houdt die ik u gegeven heb’ (11,2). En daarna volgen nog (herinneringen aan) voorschriften over gewoonten bij het bidden en profeteren van mannen en vrouwen (11,2-16), over de manier waarop men de maaltijd van de Here moet vieren (11,17-14). En de Korintiërs vinden in hoofdstuk 14 ook regels voor het profeteren en voor de plaats van vrouwen en mannen in de gemeente. Vrijheid in Christus sluit wet en regel helemaal niet uit. De Korintiërs konden er zelfs op rekenen dat de apostel van Christus `bij zijn komst nog andere, overige zaken zou regelen’ (11,34).

Kortom: heidenen die tot geloof kwamen, genoten de vrijheid van de wet van besnijdenis en spijswetten. Niemand kon hen de last opleggen om Jood te worden. Maar die vrijheid betekent niet een vrijheid van goddelijke geboden en apostolische richtlijnen. Christenen zijn vrij gemaakt van hun afgoderij en van hun miskenning van de ware God om nu in Christus een nieuwe schepping te worden (Gal.6,15).

Afdrukken