11.2 Hoe kunnen Gods wetten voor christenen goed zijn? 2. Bijbelse wetten zijn vloeiend: ze veranderen immers met tijd en cultuur?

A. Wet en bedeling (sabbat)                                                                         
B. Wet en cultuur (bloed en verstikte)

A. WET EN BEDELING (sabbat)

Naar aanleiding van de Bergrede kwam de vraag al ter sprake waarom de Sabbat daarin niet genoemd wordt (zie op de site Bijlage 05.1 Sinaïwet en Bergrede). Die vraag is niet beperkt tot de Bergrede. In het hele Nieuwe Testament lezen we niets over de voortzetting van de sabbat in de gemeenten uit de heidenen. Toch worden de Tien Geboden daar via de apostolische brieven wel vaak aangehaald en toegepast.

Vraag
in de meeste van onze kerken worden elke zondag de 10 geboden voorgelezen mét daarin het vierde gebod over de sabbat. Ik heb altijd een beetje moeite met de gedateerde bewoordingen van de 10 geboden zoals ze we ze elke zondag horen en dan voor onszelf maar naar onze tijd moeten vertalen. Is het wel goed dat we elke zondag worden opgeroepen de oudtestamentische Joodse Sabbat te gedenken en te heiligen?

ANTWOORD

Deze vraag bepaalt ons bij een algemeen onderwerp, namelijk dat Gods wetten door Hem zelf bestuurd worden. Hij breidt ze uit of wijzigt ze in verband met de voortgang van de mensheid en van zijn werk op aarde. Gods wetten zijn geen `wetten van Meden en Perzen’ die zelfs de koning niet meer kon veranderen. Gods wetten bevatten zijn persoonlijk en herderlijk onderwijs. Ze zijn voor ons zijn stok en zijn staf. In het paradijs was er alleen het proefgebod (niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad). De mens was naar Gods beeld gemaakt en leefde heilig. Hij wandelde met de HERE God in de hof. Zonder wet begreep Adam de bedoeling van de schepping van Eva: huwelijk en trouw hoefden niet te worden uitgelegd, laat staan dat ze als geboden moesten worden verwoord (Gn.2,23-24).

Na de zondeval komen wetten en bepalingen: over de taak op aarde, over het krijgen van kinderen, over het oorlog moeten voeren tegen de slang, de satan (Gn.3,15-19).

Wanneer de eerste wereld door de zondvloed is vergaan en God alleen met Noachs familie verder gaat, komen er geboden die stellig geënt zijn op de ervaring met bittere zonden vóór de zondvloed. Het wordt de mens expliciet verboden vlees te eten waarin nog bloed zit (het magisch vereren van natuurkrachten). Ook wordt het recht ingesteld: moordenaars moeten voortaan berecht worden (Gn.9,4-6). Geweldenaars mogen niet opnieuw de aarde kunnen overnemen!

Daarop volgt het verbond van de besnijdenis bij Abraham: die besnijdenis wordt als een heining om het volk van God geslagen om het af te zonderen en in heiligheid te bewaren. Binnen die heining moet Abrahams nageslacht leven en voortaan moeten ook mensen uit andere volken de HERE gaan zoeken binnen die omheining (Gn.17). Het geloof was er nog wel buiten Abrams tent: zie m.n. Melchisedek. Maar vanaf Abraham wordt dat geloof gemarkeerd door besnijdenis.

Een nog strakkere omheining wordt om het volk geslagen na de uittocht uit Egypte: het kon niet zonder vele wetten, want in Egypte waren de Israëlieten weer de afgoden gaan dienen. Zonder die volkswetten zou het volk al wel heel snel weer bij de afgoden zijn uitgekomen.

Wanneer de Messias Jezus Christus is gekomen, is Hij de Wetgever in eigen persoon. Hij verandert de bedeling van de omheiningen (besnijdenis, volkswetten). Hij schaft een noodmaatregel als de scheidbrief af. Hij gaat nu uit alle volken de gelovigen in Zichzelf verenigen. En Hij is ook de Heer van de sabbat (Mc.2,28). Dat brengt verandering van sommige wetten mee. Geen verandering van wet wanneer het gaat om de heiliging van de mens en om zijn weer gelijk worden aan Gods beeld. Wel verandering van weg en tijd en gelegenheid.

Betekent dit nu dat Gods wet veranderlijk is? In wezen niet. De besnijdenis wordt wel niet langer verplicht gesteld voor de gelovigen uit de heidenen, maar het geloof van Abraham waarbij die besnijdenis een teken was, blijft beslissend, zowel voor de gelovigen uit Israël als uit de heidenen.

Zoenoffers zijn niet meer nodig na Golgota, maar de bede om vergeving blijft. Nu met beroep op het reeds vergoten bloed van onze Heiland.

Dankoffers konden christenen uit de heidenen niet in de tempel brengen, maar ze konden wel de bedoeling van die offers blijven realiseren. Namelijk: zelf een geestelijk dankoffer voor God zijn in heel het leven.

*

En wat de sabbat betreft: de viering van de zevende dag is niet verplicht gesteld voor de christenen uit de heidenen, maar daarom heeft de sabbat voor hen zijn waarde niet verloren. Er blijft een Rust over voor het volk van God (Heb.4). Op de vervulling van het vierde gebod wachten we allemaal tot de jongste dag. Die rust heeft alles te maken met de rust die de HERE God kende op de zevende scheppingsdag. Die rust is door ons verstoord, maar zij komt terug en wij mogen daar dan in delen! Dankzij de ware Jozua, Jezus Christus.

Het is geen wonder dat christenen het goede gebod van een rustdag voor mens en vee, een heilige dag voor de HERE, naar vermogen hebben nagestreefd en dat zij die rustdag aan de zondag als opstandingsdag hebben verbonden toen zij daar de gelegenheid voor kregen. Daarmee is de zondag niet de sabbat geworden, maar de rust van de sabbatdag nemen we als voorbeeld en richtlijn. Daarvoor is geen expliciet gebod meer nodig. De Schrift is duidelijk genoeg om ons op te voeden, ook als het gaat over de zegen van een vrije dag voor de HERE. De christenheid uit de volken is niet achteloos voorbijgegaan aan de bedoeling van de sabbatdag, toen de zevende dag niet langer hun rustdag was.

Zijn de 10 geboden dan gedateerd? Ja, dat zijn ze toch al. Het begint met een datum (de uittocht uit Egypte). Maar dat is wel een datum die in het kerkelijk geheugen gegrift mag blijven, want ook onze Heiland, Gods Zoon, is uit Egypte geroepen. Zijn vlucht naar Egypte was nodig om die eerste uittocht niet verloren te laten gaan in zonde en ongeloof.

Moeten we dan nadenken bij het luisteren naar de 10 geboden? Ja, is het een wonder? We luisteren naar de Grondwet voor Israël. Een wet die blijft gelden in de Bergrede. En die doorklinkt in vele brieven van het Nieuwe Testament. De kerk is geen creatie van de 21ste eeuw. De kerk is al zo oud als de wereld. Ze heeft een geweldig verleden. Met vele gebeurtenissen en overgangen.

Daarom kan de gemeente niet zonder prediking die haar binnenleidt in de grote daden van God door alle eeuwen. Een prediking over Gods volle raad, in al zijn bedelingen. Dat is iets anders dan een vraaggestuurde prediking die de horizon van Gods werk versmalt tot de kleine wereld van onze eigen vraagstellingen. In de kerk kom je niet om kinderen van je tijd te blijven, je komt er om toe te treden tot een gemeente van het begin van de wereld tot aan het einde. Dit is een maatje groter dan we gewend zijn! Geniet van de ruimte, de hoogte, de diepte. Lees de opschriften op alle oude zuilen in deze tempel der eeuwen. Weet waar we vandaan komen: anders zul je nooit begrijpen waar we heen gaan. Wees bereid om antwoorden te horen op vragen die nog nooit in je waren opgekomen.

Sabbat? Het begon ermee op de zevende dag van deze schepping. Het werd een volksinstelling en kenmerk voor Israël. En wij zien er naar uit in de toekomst. En ondertussen vieren we de opstandingsdag van Hem die de Rust komt brengen. En het zal niet aan ons liggen wanneer we armer zouden moeten zijn dan in het Oude Testament en geen dag van rust meer zouden kunnen hebben.

Tien geboden begeleiden ons in Oud en Nieuw Verbond. De aanhef leert ons dat we al een lange geschiedenis achter ons hebben. En het vierde gebod markeert een bedeling daarin. De wet is niet zonder de voetsporen van de Herder: we moeten die niet willen uitwissen. We mogen er elke zondag aan herinnerd worden!

 

B. WET EN CULTUUR (bloed en verstikte)

Wanneer onze God met zijn volk meereist in zijn wetten en het door diverse bedelingen leidt, geeft dat aan ons dan niet de vrijheid om die wetten ook weer aan te passen aan de cultuur waarin wij leven? Het is een vraag die herhaaldelijk wordt gesteld, maar ook een vraag waarin een wonderlijke sprong wordt gemaakt. Een sprong van de HERE God als de Herder die ons leidt met zijn stok en staf naar ons als de schapen die zijn stem volgen door de bedelingen heen. Wanneer de Heiland de Heer van de sabbat is, zijn wij dat nog niet! En wanneer onze God een scheidbrief instelt en later buiten werking stelt, komt het ons nog niet toe om op de stoel van een wetgever te gaan zitten. Gods geboden, zoals ze nu door onze Heiland en door zijn apostelen aan ons zijn gegeven, zijn het pand dat wij moeten bewaren (1 Tim.6,20; 2 Pe.3,1-2). Het is de heilige traditie die we mogen doorgeven en die ons het spoor wijst. Van dit bewaren van het pand mogen we ons niet afmaken door het te veranderen en aan te passen. Het Nieuwe Testament eindigt zelfs met een ernstige waarschuwing om aan de overgeleverde woorden niets toe te doen en daar niets van af te doen (Op.22,18-19). Vroomheid begint in elke cultuurfase na Pinksteren met ontzag voor onze God en niet met minderwaardigheidsgevoel tegenover de cultuur waarin we leven.

Moeten we hier niet wat nuanceringen aanbrengen? Een voorbeeld dat daarvoor blijkbaar meer dan eens wordt gebruikt is het verbod van het apostelbesluit (Hand.15) om geen bloed te drinken en niet het verstikte te eten. De volgende vraag maakt duidelijk op welke manier dit voorbeeld volgens sommigen nuttig lijkt te zijn voor onze actualiteit.

Vraag
Is het besluit van het ‘apostelconvent’, zoals beschreven in Handelingen 15, om aan de gelovigen uit de heidenen o.a. voor te schrijven zich te onthouden ‘van bloed, en van vlees waar nog bloed in zit’, niet aan te merken als cultuurgebonden, omdat het aan de afgodencultuur van die tijd was gekoppeld. Zo kennen wij afgoderij in onze tijd niet meer, en eten wij als christenen onbekommerd ons biefstukje, en onthouden wij ons dus al lang niet meer van vlees waar nog bloed in zit. Dit kunnen we toch koppelen aan vergelijkbare cultuurgebonden onderwerpen in onze eigen tijd? Zo hoorde ik het onlangs in een preek over Handelingen 15, volgens de volgende logica: Als het strikte verbod van toen van het ‘eten van vlees waar nog bloed in zit’ in onze tijd algemeen door christenen zonder probleem niet meer van toepassing wordt geacht, waarom zou je dan op z’n minst ook geen vraagtekens kunnen (of mogen) zetten bij de geldigheid van zwijgteksten voor vrouwen in de 21e eeuw?’

ANTWOORD
De `logica’ die in deze vraag aan de orde wordt gesteld, is een wat merkwaardige `logica’.
1. Het apostelbesluit is zeker niet cultuurgebonden of voorbijgaand wanneer we kijken naar de twee duidelijke punten daarin, namelijk de afwijzing van alle deelname aan de afgodendienst en het verbod op overspel of echtbreuk. Is het dan niet vreemd wanneer de twee minder duidelijke punten slechts van voorbijgaande aard zouden zijn?
2. Het verbod op bloed en verstikte heeft te maken met het geloven in de natuurkracht. In `lagere’ religievormen werd en wordt (!) bloed gedronken om te delen in de kracht van het dier en dit geldt ook voor het eten van vlees met het bloed daarin. Wie biefstuk of bloedworst eet, doet heel iets anders. Het is dus niet juist om te zeggen dat wij het gebod daarmee achter ons hebben gelaten. Een christen die in Afrika leeft, zal zich ook vandaag hebben te onthouden van magie en bijgeloof zoals die tot uitdrukking komen in het drinken van bloed. De wereld is groter dan de biefstukjes van een welvarend Nederland!
3. De geschiedenis is ook langer dan de 21ste eeuw. Reeds aan Noach is het verbod op het verstikte gegeven (Gn.9,4). En dat noachitische verbod, opgenomen in Mozes, blijft dus door het apostelbesluit ook gelden voor de christenen uit de heidenen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat het verbod in Noachs dagen een halt wilde toeroepen aan de bruutheid die voor de zondvloed algemeen was geworden. Mensen gingen zich te buiten aan de schepping en vergaten hun God. Het bloed werd hun god: de natuur hun vertrouwen. In het bloed, dat ons leven is, zochten ze hun levenskracht (verg. Gn.9,5).
4. Wanneer bijbelse geboden ingrijpen op de (afgodische) cultuur van de mensheid is dit precies het omgekeerde van aanpassing aan die cultuur. Dat geldt voor het bloedverbod en het geldt ook voor andere geboden. Wanneer de apostelen ons aanwijzingen geven voor de taken van man en vrouw, zal dit in vele tijden dan ook wel leiden tot een kerstening van verhoudingen die de christenen gaat onderscheiden van hun omgeving. Dit was reeds zo in Petrus’ dagen (1 Pe.3,1-7). Zonder nu in te gaan op vragen rond ambten in de kerk, kunnen we wel zeggen dat Bijbelse aanwijzingen daarover niet bij voorbaat opzij kunnen worden geschoven omdat wij in een andere tijd zouden leven.

Afdrukken